Skip to main content

Alexander Agricola


Geboren in de Zuidelijke Nederlanden, waarschijnlijk Gent was Agricola hoofdzakelijk actief in Italië, Frankrijk en de Nederlanden.

 Agricola werd tien jaar later te Gent geboren dan wat tot nu meestal gedacht werd. Hij was de zoon van een welstellende zakenvrouw die niet gehuwd was met zijn vader.

Over zijn opleiding en jeugd is niets met zekerheid geweten. Hij wordt vernoemd als leerling van Ockeghem. Van 1470 tot ongeveer 1474 werkte Agricola met als collega's Gaspar van Weerbeke, Johannes Martini en Loyset Compère in de kapel van de hertog van Milaan, Galeazzo Maria Sforza.

Halverwege 1474 trokken Agricola en zijn gezin (hij huwde te Firenze in 1470), met een aanbevelingsbrief van de hertog op zak, terug naar de Nederlanden.

Met zekerheid is geweten dat ihij in 1476 korte tijd als zanger in Kamerijk heeft verbleven.
Uit de periode tussen 1476 en 1491 zijn verder weinig gegevens bekend. Vermoedelijk bevond Agricola zich toentertijd in Duitsland of Oostenrijk.

Uiterlijk vanaf 1490 is Agricola lid van de hofkapel van Frankrijks koning, Karel VIII. Agricola’s voornaamste collega daar was Johannes Ockeghem. In 1491 verlaat Agricola plots de hofkapel, overigens zonder voorafgaandelijk de koning om toestemming te vragen, en begeeft hij zich naar Italië.
In september 1491 verbleef hij samen met zanger Charles de Launoy, de latere zwager van Heinrich Isaac, in Mantua. Maar al na korte tijd reizen beiden, alweer zonder toestemming, naar Florence.
In Florence werd Agricola, als beschermeling van Piero de Medici, op 1 oktober 1491 zanger aan de Florentijnse Dom en hierdoor een collega van Heinrich Isaac. Agricola behield dit ambt tot 30 april 1492.

Verontrust door een brief van de Franse koning aan Piero de Medici, waarin de koning erop aandringt Agricola zo snel mogelijk naar Frankrijk terug te sturen, verlaat deze laatste Florence begin mei 1492, niet om de koning te gehoorzamen, maar om naar het Napelse hof van Ferdinand I (1458-1494) te trekken, waar hij halverwege mei voor een viertal weken onderdak vond. De Franse koning bleef aandringen op Agricola’s terugkeer en omdat Ferdinand het om politieke redenen niet opportuun vond de koning te ontstemmen, liet hij Agricola, ondanks grote bewondering voor zijn zangkunst in juni 1492 vertrekken. Met inpassing van enig kortstondig oponthoud in Rome en Florence, keerde Agricola naar Frankrijk terug en trad daar nog hetzelfde jaar weer in dienst. Lang schijnt Agricola ook deze keer niet in Frankrijk te zijn gebleven. Uit brieven blijkt dat hij en Johannes Ghiselin alias Verbonnet zich al in februari en maart 1494 weer in Napels ophielden, aan het hof van Alfons II, wiens bewind begin dat jaar een aanvang had genomen. Tot een vaste aanstelling kwam het voor Agricola echter niet.

Waarschijnlijk werd Agricola daarna in Frankrijk in zijn oude functie bevestigd; tenminste tot het overlijden van Karel VIII in 1498 zou dit het geval kunnen zijn geweest.

In het jaar 1500 wordt Agricola cantor aan de hofkapel van Filips I, Filips de Schone, van Castilië. Tot deze kapel, die toentertijd gold als hét leidinggevende ensemble in Europa, behoorden ook Pierre de la Rue en Nicolas Liégeois (Clais le Liégeois). De bevoorrechte betrekking die Agricola ook hier toekwam, hield onder meer in dat hem in 1501 een prebende in Gorinchem en Valenciennes toegestaan werd.

De hofkapel begeleidde de hertog steeds bij zijn reizen, aangezien de ontmoetingen tussen heersers of hun feestelijke intocht in steden toen ook muzikale belevenissen waren. Men mag er ook van uitgaan dat Agricola zich in het gevolg van de hertog bevond, wanneer die in november 1500 naar Luxemburg reisde, en dat hij er ook bij was tijdens diens eerste reis naar Spanje van 4 november 1501 tot 8 november 1503.  Aansluitend ging de reis door naar Duitsland, waar Filips op 13 september 1503 in Seefeld zijn vader Maximiliaan I van het Heilige Roomse Rijk ontmoette.

De tweede reis naar Spanje van de Hertog, waarvan vaststaat dat Agricola eraan heeft deelgenomen, begon op 10 januari 1506. Die reis ging over het water. Zangers en instrumentalisten hadden een eigen schip ter beschikking. Op 13 januari 1505 dreef een storm een deel van de vloot, ook de boot met de muzikanten, naar Falmouth. Op 27 april 1506 landt de vloot in La Coruña. Fîlips en zijn gevolg trokken voor de zomer naar Valladolid en later naar Burgos, waar de jonge koning aan koorts, misschien pest, bezweek.

Ook Agricola stierf , juist 60 jaar geworden, te Valladolid in 1506



Kunstenpunt

Steunpunt voor beeldende kunsten, podiumkunsten en klassieke muziek.